Mgr. Rentinck: "Priester is man van God midden in de wereld"

Het Ariënskonvikt werd in 1979 opgericht. De eerste rector was mgr. Rentinck, de huidige vicaris-generaal van het aartsbisdom Utrecht. Hij kijkt met tevredenheid terug op zijn tijd als rector en spreekt over de priester als "man van God midden in de wereld." Mgr. Rentinck, u heeft voor kardinaal Willebrands het Ariënskonvikt opgericht, waarom heeft u gekozen voor het convictsmodel?

“Dat heeft met de geschiedenis te maken. Zelf heb ik Deijnselburg en Reijsenburg doorlopen, volgens het oude seminariemodel dus. In 1964 werd ik priester gewijd, vervolgens stuurde ik 5 jaar in Rome. In tussentijd werden alle grote opleidingen, zo’n 33, opgeheven. Alleen het seminarie van de Mill Hill missionarissen bleef bestaan. In plaats van de seminaries kwamen vijf katholieke theologische hogescholen (KTH) waar theologie op academisch niveau aangeboden werd. In de stage kon men dan de praktijk in oefenen. Dat verschilt sterk van mijn eigen opleiding. De enige praktijk ervaring die wij hadden was het houden van een preek na de diakenwijding en we gaven een paar maanden catechese op de basisschool.

Op de theologische hogescholen kreeg je echter academische ontwikkeling en een pastorale stage aangeboden. Daar kwam bij dat het seminarie alleen voor priesterstudenten was. Andere mannen en vrouwen gingen nu ook theologie studeren. Men kreeg samen praktische en theoretische vorming.”

Maar hoe konden mensen dan priester worden?

“Er werden wel gemeenschappen van priesterstudenten gevormd, al heette het nog geen convict. Zo woonden rond de stad Utrecht studenten de bisdommen Utrecht en Groningen, de Franciscanen, de Passionisten en de Oblaten van Maria. De bisdommen Rotterdam en Haarlem werkten samen rond de KTH Amsterdam, met ondermeer de Jezuiëten en de ongeschoeide Karmelieten. In ’67 werd het ook mogelijk om op de universiteit in Nijmegen de zogenaamde ‘cursus minor’ te volgen. Dat betekent dat je er na het gymnasium meteen kon studeren.

Later zijn die instellingen gefuseerd, zo ontstond de KTU te Utrecht uit een fusie van de Katholieke Theologische Hogescholen van Amsterdam en Utrecht. In Tilburg ontstond de Theologische Faculteit en de KTH van Heerlen ging op in de Katholieke Universiteit Nijmegen. De HBO-theologie ontwikkelde zich in de Fontys, die is voortgekomen uit de opleiding tot catecheet die godsdienstleraren volgden. In de jaren ’80 werd daar een pastorale variant begonnen.

Er kwamen dus ook convicten, maar zonder die naam. Dat is het helemaal misgegaan zo rond het protestjaar 1968. Het gemeenschapsleven lukte niet. De gemeenschappen in Utrecht werden rond 1971 en 1972 opgeheven. Zo hadden we in 1972 de situatie dat er hogescholen waren die theologische en praktische vorming aanboden maar geen instituten die toeleidden tot het priesterschap. Mgr. Gijsen heeft als eerste geantwoord door een convict te beginnen in samenwerken met Heerlen. Binnen een jaar werd er met een seminarie begonnen op Rolduc. Er zijn hier wel pogingen gewaagd om studenten bij elkaar te laten wonen op een pastorie, samen met een pastoor. Dat kwam niet in van de grond.”

Hoe is vanuit die situatie het Ariënskonvikt ontstaan?

akv mgr Rentinck“In 1977 liet kardinaal Willebrands me weten dat hij me wilde benoemen tot rector van een nieuw op te richten priesteropleiding, verbonden met de KTHU. Ik heb hem toen gevraagd of ik onderzoek mocht doen naar de haalbaarheid van zo’n opleiding. Dat vond hij goed. Er stond mij een samenwerking met de KTU voor ogen. Dat is immers de voortzetting van de seminaries. Enkele docenten van die seminaries doceerden ook op de KTU. Zo konden we voor continuïteit met het voorgaande zorgen. We wilden niet terug naar een seminariemodel. Dat kun je namelijk niet academisch opzetten zoals dat kon met de KTU.

We hebben toen ook gezegd: we vinden het niet goed dat priesteropleidingen zich afsluiten van de wereld. Voor toekomstige priesters is het belangrijk om in contact te komen met toekomstige collega’s en vrijwilligers. Als je in een stad gaat zitten is het beter mogelijk dat contact te hebben. Het is ook beter voor de persoonlijk vorming van studenten om in kleinere gemeenschappen te leven. Maar het moest wel echt een priesteropleiding worden. Celibatair priesterschap is een heel eigen keuze en dat eist ook een eigen voorbereiding. Toekomstige priesters zullen ook iets van die inspiratie van Alfons Ariëns moeten hebben: open naar de samenleving.

We wilden dus kleine groepen in de stad. Ik heb de haalbaarheid daarvan onderzocht. Bijvoorbeeld door gesprekken te voeren met professoren, studenten. Daaruit ontstond het beeld dat de professoren het initiatief van harte toejuichten. Ze waren ook blij dat het geen seminarie werd. Met name de supervisoren van de KTU hebben veel steun gegeven. Ze hebben dan ook van meet af aan hun medewerking aangeboden. Daarom hebben we ze ook betrokken in zaken als de aannameprocedure en groepsevaluaties.”

Welke verwachtingen had u bij de oprichting van het Ariënskonvikt? Was u niet bang dat het zou mislukken?

“De docenten en supervisoren waren daar heel positief over. Het merendeel van de studenten was uitermate negatief. De algemene stemming was dat de kerkelijke leiding niks te maken had met hun geestelijke vorming. Men dacht in lijnen van afschaffing van het celibaat. Het convict wilde echter celibataire priesters opleiden.

Er meldden zich toch een zestal studenten en daar zijn we in augustus 1979 mee begonnen. De dagorde werd gevormd en de huisregel kwam tot stand. We begonnen met een aantal vuistregels: de dag beginnen met gebed en dagelijkse Eucharistie vieren. Zo begonnen we met die zes studenten. Aan het eind van het jaar hadden we nog maar één student. Kardinaal Willebrands vroeg toen hoe er tegen het convict aangekeken werd. Er was nog steeds weerstand en critici van wat als restauratie gezien werd dachten dat het niet zou lukken. Maar we hebben een hoop geleerd, over de selectie van studenten en de vormgeving van het convict bijvoorbeeld. Ik vertelde hem dat we er als staf vertrouwen in hadden. Zo zijn we het tweede jaar begonnen met vier studenten en geëindigd met zes. In 1984 moest er zelfs een tweede huis bijgekocht worden en in ’85 zijn we begonnen met het huren van de pastorie van de kathedraal.

In de periode 1983-1986 maakte het convict een stormachtige groei door. Dat ging ook door na mijn vertrek als rector. Er kwamen een paar grote wijdingsklassen maar de lege plaatsen die daardoor ontstonden, werden niet ingevuld. In aantal is het toen allemaal minder geworden. Daar komt bij dat er ook nieuwe opleidingen gekomen zijn die ook studenten aantrekken. Studenten hebben daarbij niet altijd het bewustzijn: ik hoor bij dit bisdom. En er is natuurlijk de Nederlandse trend van dalende aantallen.”

Wat voor priesters wilde u opleiden als rector?

“Ik wilde priesters opleiden die zich bewust waren: wij zijn niet de enigen die de kerk dragen. Die kunnen samen werken met pastoraal werkers en werksters, goed kunnen samenwerken met vrijwilligers. En vooral: priesters naar het voorbeeld van Ariëns, met een open oog, oor en hart voor wat er in de samenleving speelt.”

De naam Ariënskonvikt lag dus al vrij snel vast?

“Nee, we hebben ook nog even aan Ludgerconvict gedacht. De heilige Ludger studeerde namelijk dicht bij de plek waar nu de priesteropleiding is gevestigd. We hebben toch voor Ariëns gekozen omdat wij dat een goed ideaal vonden en vinden. Hij was een man van gebed, priesterlijke spiritualiteit en stelde de persoon van Jezus centraal. Hij ontwikkelde een gevoeligheid om de tekenen van de tijd te verstaan. In zijn tijd was er sprake van arbeidsproblematiek, kinderarbeid en drankmisbruik. Hij had daarbij heel goed in de gaten dat een nieuwe tijd vraagt om nieuwe initiatieven. Daarom was hij ook een dragende kracht voor veel nieuwe projecten, zoals bijvoorbeeld het Geert Groote Genootschap. Hij heeft de vrouwenbeweging gestimuleerd en ondersteunde de missiegedachte. Dat vind ik belangrijk voor een priesterbeeld. Je staat niet op je eentje, je bent een man van God en tegelijk midden in de wereld.”

Is het gelukt om zulke priesters te vormen?

“Als ik de oud-studenten bekijk, waarvan er 60 inmiddels priester zijn, is het in twee gevallen vrij gauw na de wijding gebeurt dat men het celibaat opgaf. Dat heb ik zeer pijnlijk gevonden. Verder zijn er wel een paar kleine problemen geweest maar is iedereen verder goed terecht gekomen. De priesters worden ook gewaardeerd in de parochies. Als ik naar die jonge priesters kijk dan denk ik dat het echt mannen van God zijn. Ze kunnen ook goed samenwerken met pastoraal werkenden, diakens en vrijwilligers. De diakens die erbij gekomen zijn hebben trouwens een eigen bewustzijn dat veel op Ariëns lijkt.”

Hoe was het om in de jaren ’80, de tijd van ondermeer ‘Popie Jopie,’ met een priesteropleiding bezig te zijn?

“In de eerste jaren was dat heel moeilijk. In het 3e jaar zag ik een nieuwe generatie theologiestudenten komen. Met de oudere studenten waren er wel spanningen met de jongeren maakten we die problemen niet mee. De priesterstudenten deden ook goed mee in de jaargroepen. Er waren wel wat spanningen met de ATO-opleiding, die een sterke Marxistische oriëntatie had.”

Op welke manier ging u met dergelijke spanningen om?

“De meeste studenten hadden te maken met studenten van jongere jaren en de docenten waren erg goed. Het gemeenschapsleven op het Ariënskonvikt heeft mensen ook veel kracht gegeven. Samen bidden en samen Eucharistie vieren gaf een innerlijke kracht waardor we dat klimaat doorstaan hebben. Later kwamen er ook Vietnamese studenten die bootvluchteling geweest waren. Zij brachten hun ervaring in de groep in en dat gaf het gemeenschapsleven de diepgang van die geloofservaring.

Van meet af aan heb ik ook gevraagd het kapittel bij het Ariënskonvikt te betrekken. Toen we in juni 1978 besloten met het convict te beginnen was dat ook met steun van het kapittel. Het feit dat de bisschop er helemaal achter staat helpt ook mee. Kardinaal Willebrands richtte het convict op en kardinaal Simonis was er na enige tijd ook van overtuigd dat dit de beste weg is voor het aartsbisdom. Dat is belangrijk voor het welsalgen en de voortgang van zo’n instituut. De bisschop komt ook regelmatig langs maar geeft de rector van het convict wel de ruimte om rector te zijn.”

Hoe is het leven van de priester eigenlijk veranderd in de afgelopen vijfentwintig jaar?

“Ik had gehoopt dat men het gemeenschapsleven zo aantrekkelijk zou vinden dat men zou zeggen: ‘dat wil ik later ook.’ Maar na vele jaren leven in een gemeenschap willen mensen ook wel eens op zichzelf wonen. In deze tijd is het ook praktisch lastig, er zijn weinig pastorieën beschikbaar. In de huidige parochieverbanden is zo’n gemeenschapsleven wel weer goed uit te voeren. Er is gelukkig veel collegialiteit en contact tussen jonge priesters. Die onderling broederlijkheid is belangrijk voor de beleving van het celibaat en het priesterschap.

Wat er wel veranderd is, is mijn idee van het oude model pastoor die een centrale organisator in de parochie is. Dat is voor de toekomst niet meer mogelijk. Daarom komen priesters iets meer op afstand te staan. Dat is natuurlijk wennen voor wie het niet gewend is. Het lijkt wel op de situatie waarin de apostel Paulus verkeerde, schrijvend en rondreizend, niet gebonden aan één gemeenschap. Dat voorbeeld kan priesters vandaag inspireren We zijn het volk Gods onderweg; regelmatig feitelijk onderweg zijn drukt dat veel beter uit. We zijn mensen van de weg. Dat is wel een hele verandering in het denken. Maar is dat ook niet een verbetering? Priesters hebben korte contacten en sterken de broeders en zusters in het geloof. Bij zo’n gedachte voel ik me thuis.”

Gaat het allemaal lukken voor de toekomst?

“Ik hoop het wel. Je kunt in ieder geval zeggen, als je vergelijkt met vroeger toen alle scholing intern plaatsvond. Je woont nu in huizen waar je in en uit kan lopen. Het is een hele open wereld, het geeft mogelijkheden om meerdere contacten te hebben in Utrecht en in de thuisparochie. Het is belangrijk dat de gehele opleiding dat uitstraalt. De nieuwe weg die we gaan is spiritueel gesproken een zeer evangelische weg. Om met de heilige Willibrord te spreken: een vita apostolica.

Tot slot misschien een prikkelende vraag: wat heeft u bereikt als rector?

“Ik zal niet zeggen wat ik heb bereikt. Ik ben er één geweest in een stroom van velen: collega’s, stafleden, studenten, we zijn samen op weg. Van meet af aan heb ik ook contact gehad met de zusters van het Cenakel. Ze nodigden me eens uit om iets te vertellen over de opleiding. De zusters zeiden me: het is onze roeping om te bidden voor onze missionarissen. Ze bidden nu ook voor het Ariënskonvikt, dat heeft mij veel vertrouwen gegeven. Je bent niet op je eentje, er wordt voor me gebeden. Dat is een belangrijke bron van vertrouwen geweest. Ik heb dus meer de neiging om te zeggen: God dank! (AtK)

Geplaatst op www.arienskonvikt.nl d.d.: 6 oktober 2005