De strijd rond bestaanszekerheid 

Ariëns Lezing 2026 (in pdf)

Oktober 1886. Op het station van Enschede stapt een jonge priester uit de trein. Hij is 26 jaar oud. Hij heeft gestudeerd in Rolduc, in Rijsenburg en in Rome. Hij heeft een doctorstitel op zak. En hij wordt kapelaan aan de Sint Jacobuskerk, midden in een stad van textielfabrieken.

Zijn naam is Alphons Ariëns. 

Als hij de eerste weken door de stad loopt, hoort hij de weefgetouwen al voordat hij de fabrieken ziet. Hij ziet mannen en vrouwen die om zes uur ’s ochtends naar binnen gaan en pas ’s avonds weer naar buiten komen. Hij ziet gezinnen van acht mensen in twee kamers. Hij ziet kinderen van twaalf, dertien jaar, die meewerken omdat het loon van vader niet genoeg is. En hij ziet een kerk die vooral aalmoezen uitdeelt. 

Wat hij daar ziet, laat hem de rest van zijn leven niet meer los. 

Nu wil ik met u 140 jaar vooruit. Naar Den Haag, 30 januari van dit jaar 2026. D66, VVD en CDA maken hun coalitieakkoord bekend. Er gaat 19 miljard euro extra naar defensie. Negentien miljard. En in hetzelfde akkoord staat dat de WW korter wordt, dat de uitkering bij arbeidsongeschiktheid omlaag gaat, dat de AOW leeftijd sneller stijgt, en dat het eigen risico in de zorg omhoog gaat. 

Toen ik dat las, dacht ik aan Ariëns. Niet omdat 2026 hetzelfde is als 1886. Wij hebben een verzorgingsstaat, een minimumloon, een AOW. Maar wel omdat dezelfde vraag terugkomt. Een vraag die ik vanmiddag een paar keer zal stellen: 

Wie draagt de lasten? 

Als een land voor een grote opgave staat, wie betaalt dan de rekening? In 1886 was het antwoord duidelijk: de arbeider. Hij had geen stem, geen vakbond en geen vangnet. 

Ik wil vanmiddag drie vragen met u langslopen. De eerste: wat trof Ariëns aan in Enschede, en wat deed hij eraan? De tweede: wat gebeurde er dit jaar in Den Haag? En de derde: wat betekent zijn verhaal voor het Nederland van nu, en wat kunnen wij van hem leren? 

Ik kan alvast verklappen dat het verhaal van dit jaar voorlopig beter afloopt dan je in januari zou denken. Mensen die zich organiseerden, hebben de politiek gedwongen om haar plannen op te schorten. Ariëns zou daar niet van opgekeken hebben. Het is precies waar hij zijn leven aan heeft gewijd. 

Ik begin bij de eerste vraag. Wat trof Ariëns aan in Enschede? 

Twente was rond 1880 het hart van de Nederlandse katoenindustrie. Overal stonden spinnerijen en weverijen met hoge schoorstenen. De fabrieken waren in handen van een paar families. Van Heek, Blijdenstein, Jannink, Ter Kuile. Die families waren vaak protestant of doopsgezind, en politiek meestal liberaal. De arbeiders waren voor een groot deel katholiek. Ze kwamen van het platteland en uit het Duitse grensgebied, op zoek naar werk. 

Hoe lang was een werkdag? Dat kunt u afleiden uit de eerste wet die er iets aan deed. De Arbeidswet van 1889 bepaalde dat vrouwen en jongeren niet langer dan elf uur per dag mochten werken. Elf uur. En dat gold als een verbetering. Voor mannen kwam er geen enkele grens. 

Kinderen onder de twaalf mochten sinds 1874 niet meer in de fabriek werken, dankzij het Kinderwetje van Van Houten. Maar een kind van twaalf, dertien, veertien stond gewoon aan de machine. 

In eerdere lezingen heb ik vaak gezegd: de sociale kwestie ging over armoede, maar armoede alleen verklaart haar niet. Arme mensen waren er altijd al. In de middeleeuwen, in de Gouden Eeuw. Wat was er in de negentiende eeuw anders? 

Ik zie drie dingen die ontbraken. Ik noem ze even alle drie, en dan loop ik ze een voor een langs. Er ontbrak een organisatie. Er ontbrak een stem. En er ontbrak een vangnet. 

Het eerste: een organisatie. 

Eeuwenlang hadden de gilden een plek gehad tussen de werkman en zijn baas. Een gilde regelde de opleiding, bewaakte de kwaliteit, en zorgde voor de weduwe van een overleden lid. Onder invloed van de Franse Revolutie werden de gilden afgeschaft, in Nederland definitief in 1818. Het idee was gelijkheid. Geen standen meer, ieder mens vrij en gelijk. 

Dat klinkt mooi. Maar het gevolg was dat de arbeider er alleen voor kwam te staan. Hij onderhandelde in zijn eentje met een fabrikant die morgen honderd anderen kon aannemen. Wie dan het hoogste woord heeft, laat zich raden. 

En samen optrekken mocht lange tijd niet. Tot 1872 verbood het strafrecht arbeiders om zich te verenigen om over loon of werktijden te onderhandelen. Wie met anderen het werk neerlegde, kon worden vervolgd. 

Het tweede wat ontbrak: een stem. 

In 1886 mocht alleen een klein deel van de mannen stemmen. Of je mocht stemmen, hing af van hoeveel belasting je betaalde. Vrouwen mochten helemaal niet stemmen. Een textielarbeider in Enschede had dus geen enkele invloed op de wetten die over zijn werk en zijn leven gingen. 

Het derde: een vangnet. 

Er was geen WW. Geen AOW. Geen ziektewet. Werd je ziek, dan had je geen inkomen. Werd je ontslagen, dan had je geen inkomen. Werd je oud, dan had je geen inkomen. Je was aangewezen op je familie, of op de armenzorg van de kerk en de gemeente. 

En die armenzorg was liefdadigheid. Geen recht. Je moest erom vragen. Je moest laten zien dat je het verdiende. Je moest je netjes gedragen, naar de kerk gaan, niet drinken. Wie lastig was, kon het vergeten. 

Dat verschil tussen liefdadigheid en recht is belangrijk voor de rest van mijn verhaal. 

De kerk in Enschede deed veel aan armenzorg. Daar wil ik niets kleins over zeggen. Maar armenzorg verandert niets aan de oorzaak. Je deelt deze week brood uit, en volgende week staan dezelfde mensen weer voor de deur. En de week daarna weer. 

Ariëns zag dat. En hij trok er een conclusie uit die voor een kapelaan in 1886 ongewoon was. De arbeiders moesten zelf sterk worden. Ze moesten niet afhankelijk blijven van de goedheid van de fabrikant, en ook niet van de goedheid van de pastoor. Ze moesten zich organiseren. 

Hier ligt de kern van wat ik vanmiddag wil zeggen, en ik zeg het daarom twee keer. 

Hulp kun je krijgen. Zekerheid moet je kunnen afdwingen. 

Hulp kun je krijgen. Zekerheid moet je kunnen afdwingen. 

Het verschil zit in macht. En macht kregen de arbeiders alleen door samen te gaan staan. 

Wat deed Ariëns dan? Ik vat het samen in drie dingen. Hij organiseerde mensen. Hij gaf ze kennis en zelfrespect. En hij keek over de grenzen van zijn eigen groep heen. Ik neem ze met u door. 

Maar eerst dit: hij begon met luisteren. Hij ging op huisbezoek in de arbeiderswijken. Hij zat aan tafel bij gezinnen en vroeg naar hun werk, hun loon, hun schulden, hun zorgen. Dat klinkt vanzelfsprekend voor een kapelaan. Maar wie echt luistert, kan daarna niet meer doen alsof hij het niet weet. 

Het eerste: organiseren. 

In november 1889 richtte Ariëns in Enschede de Rooms Katholieke Werkliedenvereniging op. Het was een van de eerste katholieke arbeidersverenigingen van het land. Twee jaar later volgde een bond voor de Twentse textielarbeiders. Daarmee legde hij de basis van de katholieke arbeidersbeweging. Die groeide uit tot het NKV, en het NKV ging uiteindelijk op in de FNV, en voor een deel in het CNV. 

Ik sta hier vanmiddag als oud bestuurder van de FNV. En ik besef dat mijn eigen organisatie een van haar wortels heeft bij een jonge kapelaan in Enschede. Een priester die vond dat arbeiders recht hadden op meer dan een aalmoes. 

Ariëns was daarmee zijn tijd vooruit. Op 15 mei 1891 publiceerde paus Leo de Dertiende de encycliek Rerum Novarum. Dat betekent letterlijk: over de nieuwe dingen. De paus schreef over de situatie van de arbeiders. Hij erkende hun recht om zich te verenigen. En hij erkende hun recht op een loon waarvan een gezin kan leven. Ariëns was toen al anderhalf jaar bezig. Rome gaf hem achteraf gelijk.

Het tweede: kennis en zelfrespect. 

Een vereniging oprichten was voor Ariëns niet genoeg. Hij zag de arbeidersbeweging als een school. Er kwam een eigen blad, De Katholieke Werkman, zodat arbeiders konden lezen wat er speelde. Er kwam een spaarbank, zodat ze iets opzij konden zetten zonder bij de woekeraars /uitzuigers / uitbuiters te belanden. Er kwamen avonden met lezingen en er kwam muziek. 

En hij begon de strijd tegen de drank. Dat klinkt voor ons misschien ouderwets, misschien zelfs betuttelend. Maar bedenk hoe het toen was. Jenever was goedkoop. De kroeg lag naast de fabriek. Op zaterdag werd het loon uitbetaald, en een flink deel ervan was op maandag al verdwenen. De vrouw en de kinderen merkten dat het eerst. 

Ariëns was er hard over. Hij zei: “Het gaf niets, als wij de jeneverfles niet stuk sloegen.” Hij richtte verenigingen op tegen drankmisbruik. 

Voor hem hoorde dat bij elkaar. Een arbeider die zichzelf respecteert, die zijn hoofd helder houdt en weet wat er speelt, laat zich ook door de baas niet alles welgevallen. Zelfrespect en strijdbaarheid gingen voor Ariëns samen op. 

Het derde: over de grenzen van de eigen groep. 

Dit is een kant van Ariëns die minder bekend is, en die ik vanmiddag extra wil noemen. Hij werkte samen met protestantse arbeiders. In Twente ontstond op 4 april 1896 een gezamenlijke bond van katholieke en protestantse textielarbeiders. Die bond heette Unitas. Eenheid. Voor Ariëns ging het belang van de arbeider boven de vraag of iemand katholiek of protestant was. Een protestantse wever verdiende net zo weinig als een katholieke. 

De bisschoppen dachten daar anders over. Gemengde bonden werden later verboden. Katholieken moesten zich katholiek organiseren, protestanten protestants. Dat werd de verzuiling, waar Nederland bijna een eeuw mee heeft geleefd. Met een katholieke vakbond, een katholieke omroep, een katholieke krant en een katholieke voetbalclub. 

Ariëns stond niet alleen. Overal in het land kwamen arbeiders in beweging, en overal kostte het moeite. Ik geef één voorbeeld, uit Rijen in Brabant. Ik haal het uit een boekje van Kees van der Heijden, met de titel Steunt de uitgeslotenen(2023).

In oktober 1916 richtten leerlooiers in Rijen een afdeling op van de katholieke schoen- en leerbewerkersbond. Ze verdienden 15 of 16 cent per uur. Wie op stukloon werkte, kreeg niets betaald voor de uren dat hij moest wachten. Een werkweek leverde amper tien gulden op. De bond rekende uit wat een gezin met vier kinderen in 1917 per week nodig had: ruim zeventien gulden. Zeventien gulden nodig. Tien gulden verdiend. 

De twee fabrieksdirecteuren in Rijen wilden van de bond niets weten. De ene beloofde zijn arbeiders een eigen winkel met goedkope boodschappen, maar alleen als ze hun lidmaatschap opzegden. De andere stelde zijn mensen voor de keuze: de bond of je baan. Ze kozen voor de bond. Op 12 februari 1917 stonden dertig mannen op straat. Begin maart volgden 36 arbeiders van de andere fabriek. Ze waren lid geworden, terwijl ze wisten dat ze daarvoor ontslagen zouden worden. 

Toen bleek wat organiseren betekent. Uit het hele land kwam geld. Tussen maart en juni haalde de bond ruim 1.700 gulden op voor de uitgeslotenen. Leerlooiers in de omgeving weigerden het werk van hun ontslagen collega's over te nemen. Pastoor Oomen van Rijen probeerde nog te bemiddelen. Zonder succes. De directeuren hielden vol. 

De mannen van Rijen hebben die strijd niet gewonnen. Velen vonden werk bij andere leerfabrieken, vaak tegen betere voorwaarden. Maar Van der Heijden schrijft over hen een zin die ik wil citeren: ze hadden “voor hun recht een zware strijd gevoerd en offers gebracht”. 

Maar het verhaal heeft een vervolg. In 1939 verlaagden de leerfabrikanten in Rijen de lonen met tien procent, zonder enig overleg. Dit keer meldden de arbeiders zich massaal bij de bond. 

Tussen januari en april 1939 kwamen er 190 leden bij. En het werkte. De loonsverlaging werd teruggedraaid. Er kwam een cao voor veertien leerfabrieken in Rijen. Met 75 cent per week extra voor elk kind vanaf het vierde. Met doorbetaalde christelijke feestdagen. En met twee vakantiedagen per jaar: de twee kermisdagen. 

In 1917 verloren ze, omdat ze met te weinig waren. In 1939 wonnen ze, omdat ze met velen waren. Het recht om je te verenigen, dat wij nu vanzelfsprekend vinden, is bevochten door mensen als zij. 

Wat kostte het Alfons Ariëns? Veel fabrikanten zagen hem als een onruststoker. Ook binnen de kerk vonden sommigen dat hij te ver ging. In 1901 werd hij overgeplaatst. Niet naar een grote stad met fabrieken, maar naar Steenderen, een dorp in de Achterhoek. Velen zagen dat als een poging om hem weg te halen bij de beweging die hij had opgericht. 

Hij bleef schrijven en spreken. Later werd hij pastoor in Maarssen. Hij overleed op 7 augustus 1928. Twee weken later werd een comité opgericht om zijn nagedachtenis te bewaren. Dat is het Ariënscomité dat ons hier vanmiddag bij elkaar heeft gebracht. En in 1934 kwam zijn standbeeld in Enschede, waar het nog steeds staat.

Samenvattend

Ik vat het nog één keer samen. Ariëns organiseerde mensen, zodat ze samen sterk stonden. Hij gaf ze kennis en zelfrespect. En hij keek over de grenzen van zijn eigen groep heen. Die drie dingen neem ik mee naar 2026. 

Dan kom ik bij de tweede vraag. Wat gebeurde er dit jaar 2026 in Den Haag? 

Ik moet daarvoor even terug naar juni vorig jaar. Toen kwamen de regeringsleiders van de NAVO bij elkaar, hier in Den Haag. Ze spraken af dat hun landen in 2035 vijf procent van hun nationaal inkomen uitgeven aan defensie en veiligheid. Vijf procent. Voor Nederland betekent dat vele miljarden per jaar extra. 

Ik wil daar eerlijk over zijn, want ik wil niet verkeerd begrepen worden. Ik ben geen tegenstander van een sterke defensie. De oorlog in Oekraïne is dichtbij. Wie in vrijheid wil leven, moet die vrijheid ook kunnen verdedigen. Daar gaat mijn verhaal niet over. 

Mijn vraag is een andere. U kent hem inmiddels. Wie draagt de lasten? 

Het kabinet Jetten trad aan op 23 februari. In het coalitieakkoord stond een duidelijk antwoord. Er gaat 19 miljard euro extra naar defensie. Het leger groeit naar 122.000 mensen. En in datzelfde akkoord stond hoe een deel daarvan betaald moest worden. 

Ik noem de belangrijkste maatregelen. Luister eens mee wie ze raken. 

Wie zijn baan verliest, zou nog maar één jaar WW krijgen in plaats van twee. 

Wie arbeidsongeschikt wordt, zou een lagere uitkering krijgen. 

Wie nu jong is, zou langer moeten doorwerken, omdat de AOW leeftijd sneller zou stijgen. 

Wie ziek is, zou meer gaan betalen, want het eigen risico zou stijgen van 385 naar 460 euro. 

Wie veel zorgkosten heeft door een chronische ziekte of een handicap, zou die kosten niet meer mogen aftrekken van de belasting. 

En wie als oudere hulp in de huishouding nodig heeft, zou daar meer voor gaan betalen als zijn inkomen iets hoger is. 

Alleen al op de sociale zekerheid ging het om zo'n 6,5 miljard euro. 

Daarnaast komt er een belastingverhoging voor defensie. Het kabinet noemt die de vrijheidsbijdrage. Dat is een mooi woord. Wat er gebeurt, is dat de grenzen van de belastingschijven minder meestijgen met de prijzen. Iedereen met een inkomen gaat daardoor iets meer belasting betalen, ook mensen met een klein inkomen. Inkomen uit vermogen valt er buiten. Belastingdeskundigen hebben daar terecht op gewezen: wie leeft van zijn salaris draagt bij, wie leeft van zijn vermogen draagt veel minder bij. 

Leg dat allemaal naast elkaar. Wie raakt het? De werkloze. De zieke. De arbeidsongeschikte. De chronisch zieke. De oudere die hulp nodig heeft. 

Het zijn precies de mensen die Ariëns in Enschede ontmoette. De zieke wever. De weduwe. De arbeider die te oud was geworden voor de fabriek. In 1886 hadden zij geen vangnet. Dat vangnet hebben we in de twintigste eeuw met veel moeite opgebouwd. De AOW in 1957. De WW, de bijstand, de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Generaties hebben ervoor gestreden. 

En begin dit jaar besloot een kabinet dat juist dat vangnet de defensie mocht helpen betalen. 

Hoe staat het eigenlijk met de armoede in ons land? Het CBS publiceerde in december de cijfers over 2024. Ik noem er drie, en ik rond ze af. 

Het eerste cijfer: ruim een half miljoen mensen in Nederland leefde in armoede. Dat was meer dan het jaar ervoor. Na vijf jaar daling steeg de armoede weer. 

Het tweede cijfer: ruim negentigduizend kinderen groeiden op in armoede. En nog eens meer dan een miljoen mensen leefden er net boven. Een tegenvaller, een kapotte wasmachine, en ze zakken eronder. 

Het derde cijfer vind ik het ernstigste. Wie arm is, zit steeds dieper onder de grens. In 2018 kwam een arm huishouden gemiddeld twaalf procent tekort. In 2024 was dat negentien procent. Bijna een vijfde. De armoede wordt breder, en ze wordt dieper. 

En er is nog iets dat Ariëns zou herkennen. Het aantal werkende armen stijgt weer. Mensen met een baan, of met een eigen bedrijfje, die er toch niet van rond kunnen komen. Mensen die elke dag werken en toch tekortkomen. Dat zag hij in Enschede ook. 

Ik geef voor de FNV voorlichting aan senioren over armoede en bestaanszekerheid. De armoede van nu ziet er anders uit dan in 1886. Er lopen geen kinderen op blote voeten door de straten van Enschede. Armoede is verborgen. Mensen schamen zich ervoor. Ze laten de verwarming uit. Ze slaan de tandarts over. Ze zeggen af voor de verjaardag van een kleinkind, omdat ze geen cadeautje kunnen kopen. Je ziet het niet, tenzij je erop let. En wie het niet ziet, kan makkelijk denken dat het er niet is. 

Daarom raakt een hoger eigen risico zo hard. Voor de meeste mensen in deze zaal is 75 euro extra vervelend. Voor iemand die al bijna een vijfde tekortkomt, betekent het dat de huisarts niet meer gebeld wordt. 

En toch is er goed nieuws

Tot zover het slechte nieuws. Nu komt een deel van het verhaal dat nog niet in de uitnodiging voor vanavond stond. Het is namelijk pas de afgelopen weken gebeurd. 

In mei stuurden de vakbonden FNV, CNV en VCP het kabinet een ultimatum. De boodschap was kort. Haal de plannen voor de WW, voor de arbeidsongeschiktheid en voor de AOW leeftijd van tafel. Doet u dat niet, dan volgen acties. En stakingen sluiten we niet uit. 

Het kabinet gaf niet thuis. Dus kwamen er acties. Er was een actie op Schiphol. Er waren demonstraties in zes steden. Op 24 juni legden de mensen in het openbaar vervoer ’s ochtends landelijk het werk neer. Bussen, trams en metro's bleven staan. En op 8 september kwamen duizenden mensen naar de Koekamp in Den Haag, vlak bij het Malieveld. 

En er gebeurde iets. Dit kabinet heeft geen meerderheid in de Tweede Kamer. Het is een minderheidskabinet. Voor elke begroting heeft het steun nodig van partijen in de oppositie. Aan de ene kant stonden de vakbonden met hun leden. Aan de andere kant stonden oppositiepartijen die zeiden: zonder verandering steunen wij deze plannen niet. Samen bouwden ze een druk op die het kabinet niet kon negeren. 

Stap voor stap gaf het kabinet toe. Voorlopig. 

In juni haalde minister Vijlbrief de snellere stijging van de AOW leeftijd van tafel. 

Rond Prinsjesdag verdween ook de verlaging van de maximale uitkering bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. 

En op 29 september werd bekend dat ook de inkorting van de WW en de bezuiniging op de arbeidsongeschiktheid van de begroting van Sociale Zaken verdwijnen. Op vrijdag 2 oktober lichtte premier Jetten dat toe in zijn persconferentie. Luister goed naar zijn woorden. Hij sprak van “een pas op de plaats”. De concrete maatregelen zijn van tafel, maar de besparing zelf is niet geschrapt. Werkgevers en vakbonden moeten nu met het kabinet andere hervormingen bedenken. In het voorjaar beslist het kabinet of die genoeg opleveren. Wat ontbreekt, wordt elders in de begroting gezocht. De bonden hebben hun acties daarom opgeschort. Niet beëindigd. 

Ook het eigen risico gaat volgend jaar niet naar 460 euro. Het stijgt naar 400 euro, door de gewone jaarlijkse aanpassing. De grote verhoging is doorgeschoven naar 2028. 

Ik wil dit niet mooier maken dan het is. De strijd is niet voorbij. 

Premier Jetten zei op diezelfde persconferentie dat grote hervormingen in de sociale zekerheid, en ik citeer, "ook fors kunnen besparen". De vrijheidsbijdrage staat nog overeind. De verhoging van het eigen risico is uitgesteld, niet geschrapt. De plannen voor de zorgkostenaftrek en voor de huishoudelijke hulp liggen er nog. En niemand weet precies hoe de gaten in de begroting gedicht gaan worden. 

Maar kijk wat er gebeurde. In januari zei een kabinet: zo gaan we het doen. In oktober was het belangrijkste deel van die plannen opgeschort. Dat gebeurde doordat mensen zich organiseerden. Doordat ze naar Den Haag kwamen. Doordat ze het werk neerlegden. Doordat ze politici aanspraken. 

Dat is precies wat Ariëns in 1889 in Enschede bedoelde. Bestaanszekerheid krijg je niet cadeau. Je moet haar samen bevechten. En daarna moet je haar blijven verdedigen. 

Hulp kun je krijgen. Zekerheid moet je kunnen afdwingen. 

Dan kom ik bij de derde vraag: Wat gebeurde er in Nederland?

Tot nu toe heb ik het vooral over Enschede gehad. Maar wat Ariëns daar zag, gebeurde overal in Nederland. In de Amsterdamse Jordaan, in de Rotterdamse havens, in de wolindustrie van Tilburg, later in de mijnen van Limburg. En zijn vraag gaat over heel Nederland. Wat voor land willen wij zijn voor mensen die het moeilijk hebben? Ook voor mensen die hier niet geboren zijn? 

Ik begin met iets wat we vaak vergeten. Ook Nederlanders zijn vertrokken, omdat ze hier geen toekomst zagen. 

In de negentiende eeuw trokken duizenden Nederlanders naar Amerika. Boeren en arbeiders die honger leden na de mislukte aardappeloogsten van de jaren veertig. Gelovigen die om hun geloof vertrokken. In Michigan stichtten ze een stadje en noemden het Holland. 

En na de Tweede Wereldoorlog vertrok bijna een half miljoen Nederlanders. Naar Canada, Australië, Nieuw Zeeland, de Verenigde Staten. De regering moedigde dat aan. Er waren te weinig woningen en te weinig werk. Wie vertrok, maakte hier plaats. 

Hoe werden zij ontvangen? Australië wilde graag arbeiders. Maar wie aankwam, kwam vaak eerst in een opvangkamp terecht. Oude legerbarakken. Een vrouw die uit een huis van drie verdiepingen in Den Haag kwam, vertelde later dat ze ineens in een barak woonde met wanden van jute. Gezinnen woonden jarenlang in tenten, caravans en afgedankte trams, terwijl ze spaarden voor een eigen huis. En ze moesten zich zo snel mogelijk aanpassen. Geen Nederlands op straat. Veel kleinkinderen van die emigranten spreken de taal van hun grootouders niet meer. 

Ik wil eerlijk zijn over één ding. Australië liet Nederlanders binnen omdat ze wit en Europees waren. Mensen uit Azië waren in die jaren niet welkom. Ook toen bepaalde afkomst wie een kans kreeg. 

Maar de Nederlanders kregen die kans. Ze mochten werken vanaf de eerste week. Ze konden sparen, een huis kopen, een bedrijf beginnen. Na een paar jaar hoorden ze erbij. 

Leg daar het Nederland van 2026 naast. 

In juni stonden in Ter Apel tientallen asielzoekers buiten, omdat er binnen geen plek meer was. Op 21 september publiceerde de Onderzoeksraad voor Veiligheid een rapport over de noodopvang. Ongeveer zevenduizend kinderen wonen in noodopvang. In lege kantoren, op schepen, in evenementenhallen en containers. Sommige kinderen verhuisden in korte tijd tien keer. Tien keer een nieuwe plek, een nieuwe school, nieuwe vriendjes. De Onderzoeksraad concludeert dat die kinderen structureel gevaar lopen. 

Ik ga hier niet doen alsof migratie geen vragen oproept. Er is een groot tekort aan woningen. Gemeenten voelen de druk. Daar mag je over praten, en daar mag je verschillend over denken. 

Maar je kunt over migratie van mening verschillen en het toch eens zijn over een paar dingen. Dat een kind niet tien keer hoort te verhuizen. Dat een gezin niet een jaar in een hal hoort te wachten zonder te weten wat er gaat gebeuren. En dat iemand die hier is, moet kunnen werken en bijdragen. Precies wat Nederlandse emigranten in Canada en Australië mochten. 

Er is ook een ander sociaal gezicht van Nederland. Het gezicht van gewone mensen die helpen. 

In 2018 hielden kerken in Den Haag 96 dagen lang, dag en nacht, een kerkdienst in de Bethelkerk. Honderden predikanten uit Nederland en daarbuiten losten elkaar af. Zolang de dienst duurde, kon de politie het Armeense gezin Tamrazyan niet uitzetten. Dat gezin woonde toen al bijna negen jaar in Nederland. De dienst stopte pas toen het kabinet de regels voor het kinderpardon aanpaste. 

En het gebeurt nu weer. Op dit moment, terwijl wij hier zitten, is er een kerkdienst gaande in de Open Hof in Kampen. Die dienst begon op 21 november 2024 en is sindsdien niet meer gestopt. Vandaag is het de 694ste dag. Dag en nacht houden predikanten, musici en vrijwilligers uit het hele land de dienst gaande. Ruim 2.500 mensen hebben al meegedaan. Ze bidden en zingen voor het gezin Babayants uit Oezbekistan: twee ouders en vier kinderen, die al meer dan twaalf jaar in Nederland wonen. Twee van die kinderen zijn hier opgegroeid. Het gezin is uitgeprocedeerd. Zolang de dienst duurt, mag de politie de kerk niet in. Maar zodra het gezin naar buiten stapt, kan het worden uitgezet. Bijna twee jaar lang leeft dit gezin binnen de muren van een kerk. 

En vorig jaar kregen ruim 155.000 mensen hulp van de voedselbank. Elfduizend meer dan het jaar ervoor. Zzp'ers, ouderen met alleen AOW, gezinnen met kinderen, mensen met een baan. Elke week staan duizenden vrijwilligers klaar om pakketten in te pakken en uit te delen. 

Hoe zou Ariëns hiermee omgaan? Ik kan het hem niet vragen. Maar ik denk dat zijn antwoord uit twee delen bestaat. 

Het eerste deel: hij zou de vrijwilligers bedanken. De mensen van de voedselbank. De predikanten in de Bethelkerk. De buren die een vluchtelingengezin helpen met formulieren. Ariëns wist wat armenzorg waard was.

Het tweede deel: hij zou er geen genoegen mee nemen. Weet u nog wat ik aan het begin zei over liefdadigheid en recht? Een voedselbank is liefdadigheid. Goed georganiseerd en met veel liefde gedaan. Maar het werkt zoals de armenzorg van 1886. Je moet erom vragen. Je moet aantonen dat je het nodig hebt. En volgende week sta je er weer. 

Ariëns zou vragen stellen. Waarom heeft een rijk land als Nederland 181 voedselbanken nodig? Waarom laten we een gezin een jaar wachten in een hal? En wie helpt deze mensen om zich te organiseren, zodat ze niet afhankelijk blijven van onze goedheid? 

En hij zou ze opzoeken. Vergeet niet: een deel van de arbeiders in Enschede kwam uit Duitsland. Ariëns zag geen Duitsers of Nederlanders. Hij zag mensen die werkten en tekortkwamen. Ik denk dat hij vandaag op huisbezoek zou gaan in de noodopvang, zoals hij dat deed in de arbeiderswijken van Enschede. 

Hij zou daarin gezelschap hebben. Vorig jaar schreef paus Leo de Veertiende zijn eerste grote brief, Dilexi te, over de liefde voor de armen. Deze paus koos zijn naam bewust met het oog op Leo de Dertiende, de paus van Rerum Novarum. In zijn brief schrijft hij dat migranten moeten worden ontvangen, beschermd, vooruitgeholpen en opgenomen in de samenleving. Ruim 130 jaar na Rerum Novarum zegt Rome opnieuw wat Ariëns in Enschede al deed. 

Afrondend. Wat kunnen wij van Ariëns leren? 

Ik zei net dat hij drie dingen deed. Hij organiseerde. Hij gaf mensen kennis en zelfrespect. En hij keek over de grenzen van zijn eigen groep. Ik maak er drie lessen van voor vandaag. 

De eerste les: organiseer je. 

Ariëns begreep dat een arbeider in zijn eentje niets kon beginnen tegen een fabrikant of een overheid. Dat is nog steeds zo. Dit jaar zagen we het. De plannen werden pas opgeschort toen duizenden mensen in actie kwamen. 

En toch is maar ongeveer een op de zeven werknemers lid van een vakbond. In de jaren zeventig was dat nog bijna een op de drie. De kerken, die Ariëns de ruimte gaven, lopen leeg. De verenigingen en organisaties die tussen de burger en de staat in staan, worden kleiner. Daarmee staat de enkeling weer vaker alleen. Net als na de afschaffing van de gilden. 

Een arbeider uit Rijen schreef het in 1931 al in het blad van zijn bond. Een cao komt er niet, schreef hij, “wanneer een deel van de arbeiders buiten de organisatie blijft”. Dat is in 2026 nog precies zo. 

Ik zeg het hier dus maar gewoon, in deze zaal: wie gelooft in bestaanszekerheid, moet ergens lid van zijn. Van een vakbond, een ouderenbond, een vereniging die opkomt voor mensen die het moeilijk hebben. Alleen ben je een klacht. Samen ben je een stem. 

De tweede les: geef mensen kennis en zelfrespect. 

Ariëns richtte een blad op, een spaarbank, avonden waar arbeiders konden leren. Vandaag gaat het over andere dingen. Over mensen die hun weg niet meer vinden in toeslagen, digitale formulieren en regels die elk jaar veranderen. Over ouderen die niet weten waar ze recht op hebben, en het daarom ook niet aanvragen. 

De vrijwilligers van de FNV Belastingservice helpen elk jaar tienduizenden leden met hun belastingaangifte. Vrijwilligers in kerken en buurthuizen helpen mensen met hun post en hun schulden. Dat is Ariëns in 2026. Mensen zo toerusten dat ze hun rechten kunnen opeisen. Want een recht waar je de weg niet naar weet, is in de praktijk geen recht. 

De derde les: kijk over de grenzen van je eigen groep.

Ariëns werkte samen met protestanten, ook toen zijn bisschoppen dat niet wilden. Dit jaar trokken vakbonden en partijen in de oppositie samen op. Geen van hen had het alleen gered. 

De zuilen zijn verdwenen. Dat geeft ruimte. Een katholiek, een protestant, een moslim en iemand die nergens in gelooft, kunnen vandaag samen opkomen voor de zieke buurvrouw, voor de collega die zijn baan verliest, en voor het gezin dat al een jaar in de noodopvang wacht. Bestaanszekerheid is van iedereen die hier woont. Dus de verdediging ervan ook.

Ik begon vanmiddag met een jonge kapelaan die in 1886 uit de trein stapte in Enschede. Hij had kunnen kiezen voor de veilige weg. Brood uitdelen, preken, en verder de fabrikanten met rust laten. Hij koos ervoor om de arbeiders te helpen zichzelf te organiseren. Dat kostte hem zijn plek in Enschede. 

De vraag die hij stelde, is dezelfde vraag die wij nu moeten stellen. Ik stel hem een laatste keer. 

Wie draagt de lasten? 

Als ons land investeert in veiligheid, en dat kan nodig zijn, wie betaalt dan de rekening? Het antwoord van Ariëns zou zijn: niet de mensen die het minst hebben. 

Want veiligheid is meer dan tanks en fregatten. Veiligheid is ook weten dat je huur betaald wordt als je ziek wordt. Dat je naar de huisarts kunt zonder te rekenen. Dat je oud kunt worden zonder angst. Dat is bestaanszekerheid. En daar heeft Alphons Ariëns zijn leven aan gegeven. 

Wat zijn erfenis ons te zeggen heeft vanuit geloof en ethiek, daarover hoort u zo dadelijk Erik Borgman. Ik geef graag het woord aan hem. 

Dank u wel.

GERBEN VAN DER MEULEN

icon1